Laboratorium · 1 min lezen
Waarom heeft elke meting onzekerheid?
Laatst inhoudelijk gecontroleerd: · Redactie en bronnen
Waarom 99,437% niet preciezer is dan 99,4% als de meting dat niet kan dragen.
Geen meting is exact
Elke meting heeft spreiding: herhaal je hem, dan krijg je net andere uitkomsten. Dat is geen fout, maar een eigenschap van meten. De internationale afspraak, vastgelegd in de metrologische richtlijnen van het BIPM, is om elke bijdrage aan die onzekerheid uit te drukken als een geschatte standaardafwijking.
Type A en Type B
Het Amerikaanse meetinstituut NIST onderscheidt twee manieren om onzekerheid te bepalen. Bij Type A doe je dat statistisch, uit een reeks herhaalde metingen. Bij Type B gebruik je andere informatie, bijvoorbeeld kalibratiecertificaten, specificaties van het instrument of eerdere ervaring.
Een goed meetrapport combineert alle bijdragen tot één totale onzekerheid, en vermeldt die bij de uitkomst.
Bronnen: [1]
Decimalen zijn geen precisie
Een uitslag van 99,437% oogt nauwkeuriger dan 99,4%. Maar als de onzekerheid van de methode enkele tienden van een procent is, zeggen de laatste twee cijfers niets. Het eerlijke antwoord is dan ‘99,4% ± 0,3%’, of afronden op wat de methode aankan.
Omgekeerd betekent een verschil tussen 99,2% en 99,5% niet automatisch dat het ene monster zuiverder is: als beide uitslagen binnen elkaars onzekerheid vallen, is het verschil niet aangetoond.
Bronnen: [1]
De vraag bij elk getal
Staat er een onzekerheid bij? Zo niet, vraag ernaar. Zo ja, kijk of het verschil dat je wilt zien groter is dan die onzekerheid.
Lees verder: waarom herhaalbaarheid telt →
Bronnen en verder lezen
- Basic definitions of uncertainty — NIST Physical Measurement Laboratory
- JCGM publications: Guides in metrology (o.a. GUM, VIM) — BIPM
Gerelateerde onderwerpen
Educatieve informatie over wetenschappelijk onderzoek. Geen medisch advies of bewijs van geschiktheid voor gebruik bij mensen.